Bedrijfsleiders horen de laatste tijd steeds vaker dat zij zichzelf voortaan minstens 51.000 euro loon zouden moeten uitkeren. Die boodschap vraagt nuance. Het gaat niet om een algemeen verplicht minimumloon voor elke bedrijfsleider, maar wel om een belangrijke fiscale grens voor vennootschappen die willen blijven genieten van het verlaagde tarief in de vennootschapsbelasting.
Kleine vennootschappen kunnen, als zij aan alle voorwaarden voldoen, genieten van een verlaagd tarief van 20% op de eerste schijf van 100.000 euro belastbare winst. Het gewone tarief bedraagt 25%. Een van de voorwaarden is dat de vennootschap aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijk persoon een voldoende hoge bezoldiging toekent.
Van 45.000 naar 51.000 euro
Tot en met aanslagjaar 2026 bedroeg die minimumbezoldiging in principe 45.000 euro. Vanaf aanslagjaar 2027 wordt de drempel verhoogd en jaarlijks geïndexeerd. Voor inkomstenjaar 2026, aanslagjaar 2027, komt het vereiste bedrag daardoor uit op 51.000 euro.
Dat betekent niet dat elke bedrijfsleider verplicht is om zijn of haar loon tot 51.000 euro op te trekken. Een lagere bezoldiging blijft mogelijk. Het gevolg kan wel zijn dat de vennootschap niet langer aan deze specifieke voorwaarde voldoet en daardoor het verlaagde tarief van 20% verliest.
Niet automatisch de beste keuze
Het fiscale nadeel van het verlies van het verlaagde tarief bedraagt maximaal 5 procentpunten op de eerste 100.000 euro belastbare winst, of dus maximaal 5.000 euro extra vennootschapsbelasting per jaar. Maar dat betekent nog niet dat een loonsverhoging altijd de beste oplossing is. Een hogere bezoldiging is wel aftrekbaar in de vennootschap, maar wordt privé belast in de personenbelasting en is ook onderworpen aan sociale bijdragen.
Er blijft bovendien een belangrijke uitzondering bestaan. Is het belastbaar resultaat van de vennootschap lager dan de minimumdrempel, dan kan een lagere bezoldiging volstaan, voor zover die minstens gelijk is aan het belastbaar resultaat van de vennootschap. Ook startende vennootschappen vallen in principe pas vanaf het vijfde belastbare tijdperk onder deze bezoldigingsvoorwaarde.
Let op met voordelen van alle aard
Vanaf aanslagjaar 2027 wordt ook gekeken naar de samenstelling van het verloningspakket. Forfaitair gewaardeerde voordelen van alle aard, zoals een bedrijfswagen, smartphone, computer, woning of andere privévoordelen, mogen voortaan in principe niet meer dan 20% van de totale bezoldiging uitmaken wanneer de vennootschap het verlaagde tarief wil behouden.
Ons advies: bekijk het volledige verloningspakket tijdig opnieuw. De optimale keuze hangt af van de concrete cijfers, de verwachte winst, het privé-inkomen, de voordelen van alle aard, de dividendpolitiek en eventuele aanvullende pensioenopbouw.
