Vanaf 1 juli 2026 worden uitkeringen onder het VVPRbis-regime en uit liquidatiereserves minder fiscaal aantrekkelijk. Voor VVPRbis-dividenden stijgt de roerende voorheffing van 15% naar 18%. Ook voor liquidatiereserves aangelegd in boekjaren die eindigen vanaf 31 december 2025 stijgt de bijkomende roerende voorheffing bij uitkering na drie jaar van 6,5% naar 9,8%. Hierdoor neemt de fiscale aantrekkelijkheid van beide regimes verder af.
Voor liquidatiereserves is het aanlegjaar bepalend. Reserves aangelegd in boekjaren die eindigen uiterlijk op 30 december 2025 behouden het huidige regime: 20% roerende voorheffing bij uitkering binnen drie jaar, 6,5% tussen drie en vijf jaar en 5% na vijf jaar. Voor reserves aangelegd vanaf boekjaren die eindigen op 31 december 2025 gelden strengere tarieven: 30% bij uitkering binnen drie jaar en 9,8% vanaf drie jaar. Voor uitkeringen in het kader van een effectieve vereffening verandert er vooralsnog niets. Daar blijft geen bijkomende roerende voorheffing verschuldigd. Een correcte analyse van het aanlegjaar blijft daarom essentieel.
Hoewel de tariefverhoging aanleiding kan geven om nog vóór 1 juli 2026 een uitkering te overwegen, is een dergelijke uitkering niet altijd de meest aangewezen keuze. De impact op de liquiditeitspositie, de vermogensstructuur en eventuele toekomstige transacties verdient minstens evenveel aandacht als het fiscale voordeel op korte termijn. Daarnaast dient ook rekening te worden gehouden met de mogelijke toepassing van de algemene antimisbruikbepaling. Een grondige afweging binnen een bredere vermogens-, ondernemings- en fiscale strategie blijft daarom aangewezen.
Graag meer weten over jouw specifieke situatie? Neem contact op met je vaste HLB-aanspreekpunt.
