Volgens de tekst die op 2 april 2026 aangenomen werd door de plenaire vergadering van de Kamer, voert België een belasting in op meerwaarden op financiële activa, met uitwerking vanaf 1 januari 2026. Voor transacties die in 2026 al zijn uitgevoerd of nog gepland staan, is dit dus geen toekomstmuziek meer. Ook de inhouding van roerende voorheffing door Belgische tussenpersonen wordt vanaf 1 juni 2026 gefaseerd ingevoerd, met overgangsmaatregelen en een notificatie uiterlijk op 31 augustus 2026.
Wat verandert er precies?
De nieuwe regeling viseert meerwaarden die buiten een beroepsactiviteit en binnen het normale beheer van privévermogen worden gerealiseerd. Daarbij maakt de wet een onderscheid tussen drie regimes:
- overdrachten aan een gecontroleerde vennootschap (de zgn. interne meerwaarden). Dit betreft een overdracht van aandelen of winstbewijzen aan een vennootschap waarin de overdrager – eventueel samen met familieleden – een controlerende invloed uitoefent.
- overdrachten van aandelen wanneer de verkoper minstens 20% van de rechten in de vennootschap bezit op moment van realisatie (een zgn. aanmerkelijk belang); en
- overdrachten van andere financiële activa.
Onder die laatste categorie vallen niet alleen klassieke financiële instrumenten, maar ook bepaalde levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen, cryptoactiva, investeringsgoud en bepaalde geldmiddelen. Voor zuivere tak 21-overlijdensdekkingen zonder spaar- of beleggingsdoel geldt wel een uitzondering. Bovendien kan ook een verhuis naar het buitenland in bepaalde gevallen als een belastbare overdracht worden behandeld.
Hoe wordt belast?
De toepasselijke tariefstructuur varieert naargelang het regime en volgt diezelfde driedeling.
- Interne meerwaarden: wanneer de overdracht kwalificeert als een interne meerwaarde, geldt een afzonderlijk tarief van 33%. Voor deze categorie is er geen vrijstelling voorzien.
- Aanmerkelijk belang: voor meerwaarden gerealiseerd op aandelen waarvan minstens een 20%-deelneming wordt aangehouden op moment van realisatie geldt een vrijstelling voor de eerste schijf van 1.000.000 euro, dewelke per 5 jaar kan worden genoten in die zin dat men rekening dient te houden met de vrijstelling die reeds in de voorgaande 4 belastbare tijdperken werd verkregen). Op het gedeelte van de meerwaarde boven de vrijstelling geldt een progressief tarief: 1,25% tot 2,5 miljoen euro, 2,5% tussen 2,5 en 5 miljoen euro, 5% tussen 5 en 10 miljoen euro en 10% boven 10 miljoen euro.
- Andere financiële activa: meerwaarden op andere financiële activa worden in beginsel belast tegen een uniform tarief van 10%. Voor deze categorie voorziet de aangenomen wettekst evenwel in een vrijgestelde eerste schijf van 10.000 euro per belastingplichtige, die onder voorwaarden kan oplopen tot 15.000 euro wanneer de vrijstelling in eerdere belastbare tijdperken niet werd benut. Voor deze categorie verloopt de inning vaak via roerende voorheffing door een Belgische tussenpersoon, behoudens opt-out waar de wet dat toelaat.
Minderwaarden kunnen uitsluitend binnen hetzelfde belastbare tijdperk in mindering worden gebracht en enkel worden verrekend met meerwaarden die tot dezelfde categorie van financiële activa behoren.
Meerwaarden die buiten het normale beheer van het privévermogen vallen of een speculatief karakter hebben, worden bovendien niet door dit nieuwe drieluik beheerst, maar blijven onder hun eigen reeds bestaande regels vallen.
Waarom 31 december 2025 een sleuteldatum is
Voor activa die reeds vóór 1 januari 2026 werden aangehouden, neemt de wet in beginsel de waarde op 31 december 2025 als uitgangspunt voor de bepaling van de belastbare meerwaarde. Dit referentietijdstip fungeert als een zogenoemd “fotomoment”, waarop de latere meerwaardeberekening wordt gebaseerd.
Voor beursgenoteerde activa wordt de waarde vastgesteld aan de hand van de slotkoers op het einde van 2025. Voor niet-beursgenoteerde activa geldt in principe de hoogste waarde van drie mogelijke referenties: een recente markttransactie of kapitaalverrichting uit 2025, een contractueel vastgelegde waarderingsformule die op 1 januari 2026 van kracht is, of het eigen vermogen verhoogd met een bedrag gelijk aan vier keer de EBITDA van het laatste boekjaar afgesloten vóór 1 januari 2026.
Indien deze waarderingsmethodes niet of slechts moeilijk toepasbaar zijn, blijft het mogelijk om uiterlijk tegen 31 december 2027 een waardebepaling te laten opstellen door een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant. Daarnaast voorziet de wet tot en met 31 december 2030 in een bijkomende mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden, de historische aanschaffingswaarde van activa die vóór 2026 werden aangehouden te bewijzen.
Het vastleggen van de waarde op 31 december 2025 neemt aldus een centrale plaats in binnen het nieuwe regime en zal in de praktijk vaak doorslaggevend zijn voor de uiteindelijke fiscale behandeling van latere vervreemdingen.
Wat betekent dit concreet voor jou?
Voor ondernemers en familiale aandeelhouders situeert de voornaamste impact zich bij participaties, kapitaalverrichtingen en (her)structureringsoperaties. In die context verdienen niet alleen rechtstreekse overdrachten, maar ook inbrengen, fusies en reorganisaties bijzondere aandacht.
Voor beleggers met niet‑beursgenoteerde activa, verzekeringsstructuren of cryptoactiva ligt de uitdaging vooral op het vlak van waardering en bewijsvoering. Het correct onderbouwen van de referentiewaarde zal in deze gevallen vaak bepalend zijn voor de uiteindelijke fiscale uitkomst.
Bij ondernemingen met internationale mobiliteit komt daar nog de noodzaak bij om het potentiële exit‑taxrisico tijdig in kaart te brengen, zowel bij een verhuis naar het buitenland als bij inkomende situaties.
Ook de eerste maanden van 2026 verdienen bijzondere aandacht. Transacties die in het lopende jaar worden gerealiseerd, kunnen immers reeds onder het nieuwe regime vallen, zodat uitstel of ondoordachte timing aanzienlijke fiscale gevolgen kan hebben. Nu verdere administratieve toelichting nog wordt verwacht, is een proactieve en goed gedocumenteerde dossieropbouw alvast geen overbodige luxe.
Hoe kan HLB jou hierbij ondersteunen?
HLB kan je begeleiden bij het identificeren van de activa en transacties die binnen het toepassingsgebied van het nieuwe regime vallen. Daarbij ondersteunen wij jou bij het bepalen van de meest verdedigbare referentiewaarde op 31 december 2025 en bij het gestructureerd opbouwen van een bewijsdossier met betrekking tot aanschaffingswaarden, betaalde premies en relevante waarderingsdocumenten.
Daarnaast kunnen wij familiale participaties, kapitaalverrichtingen, herstructureringen en internationale verhuisbewegingen fiscaal analyseren, zodat je vóór de uitvoering van een transactie duidelijk inzicht krijgt in de impact van de nieuwe regelgeving.
Ook bij de praktische implementatie van het regime staan wij jou bij, onder meer bij de afweging tussen inhouding van roerende voorheffing of toepassing van een opt‑out, evenals bij de correcte fiscale verwerking en rapportering. Op die manier helpen wij jou om tijdig, doordacht en met maximale rechtszekerheid te handelen.
