Back to Top

Hervorming van de vennootschapsbelasting vanaf 2018 - Het zomerakkoord – 15/01/2018

De Regering heeft eind oktober ll. een akkoord bereikt over de hervorming van de vennootschapsbelasting met ingang vanaf 2018.  Naast de tariefverlaging omvat het akkoord aanpassingen van de bestaande belastingverminderingen en inperking van een aantal uitzonderingsregimes.  

Hieronder belichten we de diverse maatregelen.

I.    Tariefaanpassing vennootschapsbelasting:

Het algemeen gangbare huidige tarief van 33% vennootschapsbelasting (verhoogd met een crisisbijdrage van 3%) wordt geleidelijk gereduceerd tot 25% (met 0% crisisbijdrage) vanaf 2020.  Voor KMO-vennootschappen is de tariefverlaging nog gunstiger.  In onderstaand overzicht wordt de evolutie van de tarieven weergegeven.

Indien uitgestelde belastingen werden geboekt in het verleden (bvb. gespreid belaste meerwaarde) zal er een overboeking i.f.v. de nieuwe tarieven dienen te gebeuren naar de rekening belastingvrije reserves.



(1) KMO vennootschap i.f.v. het verlaagd tarief :
•    voldoen aan de criteria art. 15, § 1-6 W.Venn. (*)
•    aandelenbezit ≤ 50 % gestort kapitaal + belaste reserves + geboekte meerwaarden
•    < 50 % aandelen in bezit van vennootschappen (uitgezonderd 75% participaties)
•    bezoldigingen (incl. VAA) aan 1 bedrijfsleider (natuurlijke persoon) ≥ 45.000 € of belastbaar inkomen van de vennootschap (uitgezonderd startende KMO's tijdens eerste 4 belastbare tijdperken)

(*) op geconsolideerde basis niet meer dan 1 van de 3 criteria overschrijden
•    personeelsleden : 50 VTE
•    omzet : 9.000.000 euro
•    balanstotaal : 4.500.000 euro

(2) boekjaar aanvangend op 1/1/2018, resp. 1/1/2020

II.    Maatregelen vanaf aanslagjaar 2019 (boekjaar aanvangend vanaf 1/1/2018)

1.    Afschaffing afzonderlijke taxatie van meerwaarden op aandelen voor grote vennootschappen:

Grote vennootschappen worden momenteel tegen 0,4% (verhoogd met 3% crisisbijdrage) belast op meerwaarden op aandelen.  Vanaf 2018 zal deze meerwaardebelasting op aandelen worden afgeschaft.  

2.    Aanpassing van de notionele interestaftrek:

De berekeningsbasis van de notionele interestaftrek wordt beperkt tot uitsluitend het incrementeel (aangroei) kapitaal t.o.v. het voortschrijdend gemiddelde van de vijf voorgaande jaren.  De KMO-vennootschappen blijven echter genieten van het hogere percentage.

Voortaan zal het voor KMO's niet zelden voordeliger zijn om i.p.v. de notionele intrestaftrek te kiezen voor investeringsaftrek (20 % in 2018 en 2019) .

3.    Minimale belastbare basis:

De aftrek van diverse overgedragen fiscale aftrekken zoals overgedragen verliezen, overgedragen DBI, overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten, overdragen notionele interestaftrek en notionele (incrementiele) interestaftrek van het belastbaar tijdperk (NIET de overgedragen investeringsaftrek) zullen slechts beperkt tot 1 miljoen euro verhoogd met 70% van het saldo in aanmerking kunnen worden genomen.  Voor de winst die 1 miljoen euro overschrijdt, zal 30% van de overschrijding de minimaal belastbare basis vormen.  Als uitzonderingsmaatregel kunnen startende "kleine" vennootschappen de overgedragen verliezen zonder beperking in aftrek nemen tijdens de eerste vier boekjaren.

4.    Effectieve belasting op supplementen n.a.v. fiscale controle:

Enkel de DBI-aftrek van het betrokken boekjaar zal nog in mindering kunnen worden gebracht van de verhoogde belastbare basis vastgesteld n.a.v. een fiscale controle.  Andere fiscale aftrekposten (overgedragen fiscale verliezen, (overgedragen) notionele interestaftrek, enz.) zullen niet meer kunnen worden afgetrokken van deze verhoging indien een belastingverhoging van min. 10% wordt toegepast.

5.    Bestrijding vervennootschappelijking (minimum bezoldiging bedrijfsleider)

Aan minstens één van de bedrijfsleiders dient een minimum bezoldiging van 45.000,00 euro of minstens een bedrag gelijk zijn aan het belastbaar inkomen (NA fiscale controle) van de vennootschap indien dit lager is dan 45.000,00 euro, te worden toegekend.  Ingeval deze voorwaarde niet vervuld is, zal een bijzondere (fiscaal aftrekbare) aanslag van 5% voor aanslagjaar 2019 en 2020 en 10 % vanaf aanslagjaar 2021 worden toegepast op het te weinig uitgekeerde bedrag van de bezoldiging.  Deze maatregel geldt echter niet voor startende KMO's gedurende de eerste 4 boekjaren.
Indien een natuurlijke persoon bestuurder is in meerdere "verbonden" vennootschappen dient het totaal van zijn bezoldigingen minimum 75.000,00 euro te bedragen.
Voor een natuurlijk persoon/bedrijfsleider in meerdere "verbonden" vennootschappen, waarvan minimum de helft van de bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in ieder van de betrokken vennootschappen, dient het totaal van van de aan die personen toegekende bezoldigingen minimum 75.000,00 euro (incl. bezoldiging van een buitenlandse groepsvennootschap) te bedragen.

6.    Vrijstelling van meerwaarden op aandelen: toepassing van de DBI-voorwaarden

Voor de vrijstelling van meerwaarden op aandelen zal het vereist zijn dat tevens de participatievoorwaarde zoals van toepassing voor de DBI-aftrek is vervuld (op enig moment in de 3 jaar voor de overdracht van de aandelen), nl. minimum 10% participatie in het kapitaal of een aanschaffingswaarde van minimum 2,5 miljoen euro.  Zoniet zullen  deze meerwaarden deel uitmaken van de belastbare basis.  
Conclusie : meerwaarden op beursgenoteerde aandelen zullen (quasi) altijd belastbaar zijn aan het basistarief.  Geen deelnemings- noch houdduur vereist voor aandelen in een DBI-BEVEK.

7.    Inschakelingsbedrijven

De dubbele vrijstelling resulterend uit de tijdelijke vrijstelling van de winst gecombineerd met de vrijstelling van de ontvangen gewestelijke subsidies wordt weggewerkt.  Tevens wordt de algemene winstvrijstelling beperkt tot 7.440,00 euro (te indexeren) per werknemer die tijdens het betrokken belastbaar tijdperk effectief tewerkgesteld was.  

8.    Voorafbetalingen – aanpassing modaliteiten verhoging bij onvoldoende voorafbetalingen

De basisrentevoet voor de voorafbetalingen wordt op minimaal 3% vastgelegd teneinde een stimulans te creëren om tot voorafbetalingen over te gaan.  De vermeerdering wordt dus steeds min. 2,25 x 3 = 6,75 %.  De belastingvermeerdering zal steeds worden toegepast ook wanneer 0,5% van de belasting of een bedrag van 50,00 euro niet overschreden wordt.  

Vanaf aanslagjaar 2019 zal de minimale sanctionering (fiscaal niet aftrekbaar) bij onvoldoende voorafbetalingen 6,75% (aanslagjaar 2017 : 1,125%) zijn.  Let wel, ook reeds voor het lopende aanslagjaar 2018 is er al een verdubbeling voorzien tot 2,25%.  Spontaan voorafbetalen volgens een optimaal spreidingsplan valt dus zeer aan te bevelen.

9.    Vooruitbetaalde kosten

Om fiscale planning te vermijden dient het boekhoudkundig matching principe ook toegepast te worden voor fiscale doeleinden.  Kosten gerelateerd aan activiteiten/inkomsten van een volgend boekjaar zullen voortaan slechts in het volgend boekjaar fiscaal in aftrek kunnen worden genomen.

10.    Beperking voorzieningen voor risico’s en kosten

Voortaan kunnen enkel voorzieningen resulterend uit een op balansdatum definitief vaststaande verplichting (wettelijk, reglementair of voortvloeiend uit verbintenissen aangegaan tijdens of gedurende 1 van de voorgaande boekjaren) nog worden vrijgesteld.  De latere terugname van een voorziening aangelegd vóór de tariefverhoging zal belast worden aan het tarief dat van toepassing was voor het boekjaar waarin de voorziening werd aangelegd. 

11.    Taxatie van herbeleggingsmeerwaarden (art. 47 WIB 1992)

Een voorheen vrijgestelde gerealiseerde gespreid te belasten meerwaarde die na de tariefverlaging van het vennootschapsbelastingtarief belastbaar wordt wegens niet tijdige wederbelegging, zal belast worden tegen het hogere tarief dat van toepassing was voor het boekjaar waarin de meerwaarde werd gerealiseerd.

12.    Roerende voorheffing op kapitaalverminderingen

Een kapitaalvermindering zal verhoudingsgewijs onderworpen zijn aan roerende voorheffing (30%) in verhouding van het gestort kapitaal t.o.v. van de belaste reserves en de in het kapitaal geïncorporeerde belastingvrije reserves.  De inbrengen in kapitaal n.a.v. een vastklikoperatie (art. 537 WIB 1992) zullen echter wel zonder inhouding van roerende voorheffing kunnen worden uitgekeerd.
Deze nieuwe regel heeft in praktijk uiteraard geen gevolgen indien de aandeelhouder een rechtspersoon is die beroep kan doen op de vrijstelling van RV op basis van de Moeder/Dochter Richtlijn.

13.    Tijdelijke verhoging investeringsaftrek

Voor kleine vennootschappen en eenmanszaken wordt de investeringsaftrek voor nieuwe investeringen in (im)materiële vaste activa tijdelijk verhoogd van 8% naar 20%.  

14.    Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing voor wetenschappelijk personeel

Het wetenschappelijk personeel dat in aanmerking komt voor de gunstmaatregel wordt uitgebreid tot houders van een bachelor diploma.

15.    Uitdoofregeling voor de investeringsreserve vanaf boekjaren afsluitend per 31/12/2018

16.    Stapsgewijze verhoging forfaitaire taxatie bij niet aangifte

De minimum belastbare basis als sanctie bij niet-indiening van de aangifte in de vennootschapsbelasting wordt stapsgewijs verhoogd tot 34.000 € in aanslagjaar 2019 en 40.000 € in aanslagjaar 2021.  Bij volgende overtredingen nog een verhoging van 25 tot 100 %.

17.    Harmonisatie van eenmanszaken met vennootschappen (aftrekbaarheid van autokosten, stopzettingsmeerwaarden, forfaitaire beroepskosten, investeringsaftrek)

18.    Nalatigheids/moratoriumintresten

Het percentage van de nalatigheidsintresten is minimaal 4% en maximaal 10% en is 2% hoger dan dit van de moratoriumintresten. Voortaan nalatigheidsintresten ook indien (gespreid belaste) meerwaarde belastbaar wordt voor het verstrijken van de wederbeleggingstermijn (schending onaantastbaarheidsvoorwaarde) (kalenderjaar 2018: 4%, respectievelijk 2%).

19.    De DBI aftrek voor ontvangen dividenden wordt verhoogd van 95 naar 100 %. Proportionele overdracht in geval van herstructurering (vb. bij fusie zoals fiscale verliezen).

III.    Maatregelen vanaf aanslagjaar 2020 (boekjaar aanvangend vanaf 1/1/2019)

1.    Naar Zweeds model invoering van een fiscale consolidatie d.m.v. een "groepsbijdrage" tussen groepsvennootschappen, waardoor wellicht enkel fiscale verliezen van het boekjaar zelf kunnen worden geconsolideerd.
2.    Invoering wetgeving “Controlled Foreign Company” (CFC) : invoering van een CFC bepaling die (niet-uitgekeerde) winst van een buitenlandse vennootschap in een belastingparadijs uit kunstmatige constructies viseert.
3.    Invoering van een “exit-taxatie” : overdracht activa naar buitenlandse vaste inrichting wordt gekwalificeerd als een realisatie.
4.    Bestrijden van “hybride mismatches”….

IV.    Maatregelen vanaf aanslagjaar 2021 (boekjaar aanvangend vanaf 1/1/2020)

1.    De aftrekbaarheid van kosten voor de financiering met vreemd vermogen wordt verder ingeperkt.  Netto intrestkost niet aftrekbaar in de mate dat het hoogste van 2 grenzen wordt overschreden nl. 3 mio € intrestkost (op groepsniveau) of 30 % van de fiscale (geconsolideerde) EBITDA
2.    Het disconto op schulden m.b.t. niet afschrijfbare activa kwalificeert niet langer als fiscaal aftrekbare kost
3.    Mobiliseren van (een beperkt deel van) vrijgestelde reserves d.m.v. de invoering van een mogelijkheid om vrijgestelde reserves van vóór 1 januari 2017 om te zetten in belaste reserves tegen een tarief van 15% (of 10% indien bepaalde condities qua herbelegging vervuld zijn)
4.    Verduidelijking van het criterium van “marktrente” dat als maximale vergoeding geldt voor de credit- en debetstand R/C --> elk voorschot max. MFI rentevoet voor niet financiële ondernemingen zoals gepubliceerd door NBB voor leningen tot 1 mio € met variabel tarief op 1/11 vorig boekjaar + 2,5 %
bvb. op 1/11/2016 MFI 1,7 % + 2,5 % : max. 4,2 %
5.    Meer economische invulling van het “vaste inrichting”-begrip in overeenstemming met de recente OESO voorstellen
6.    Verliesaftrek van verliezen van buitenlandse vaste inrichtingen nog enkel mogelijk bij stopzetting van activiteit in het buitenland
7.    Afschaffing van het stelsel van de degressieve afschrijvingen en afschaffing van de mogelijkheid voor pro-rata afschrijvingen in het eerste boekjaar van investering voor KMO-vennootschappen
8.    Aftrekbeperking van bepaalde kosten:
o    Geheime commissielonen worden volledig niet aftrekbaar en verlaagd tarief van 50 % wordt 100 %
o    Verdere aftrekbeperkingen inzake autokosten
9.    Afschaffing van volgende vrijstellingsregelingen:
o    Vrijstelling aanvullend en bijkomend personeel
o    Vrijstelling ten belope van 40% van de verloning voor stagiairs
o    Meerwaardevrijstelling op gronden voor vennootschappen voor huisvesting
o    Vrijstelling meerwaarden op bedrijfsvoertuigen
o    Vrijstelling meerwaarden op voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer

Alle boetes m.b.t. directe en indirecte belastingen zijn verworpen uitgaven.

Stopzettingsmeerwaarde in personenbelasting

10 % in geval van stopzetting eenmanszaak vanaf de leeftijd van 60 jaar, overlijden of gedwongen definitieve stopzetting; ook van toepassing op voorraden en handelsvorderingen.

NIET voor de Immateriële Vaste Activa die de 4 x 4 grens overschrijdt

Wijziging aftrekbaarheid autokosten in personenbelasting

•    aftrek autokosten volgens CO² aftrek en regeling meerwaarden op personenauto's zoals in Vennootschapsbelasting vanaf aanslagjaar 2019
•    VAA hybride wagens aangeschaft vanaf 1/1/2018 : aanpassing berekening vanaf 1/1/2020