Back to Top

Holdingconstructies: de bazooka van Crombez schiet, in eerste aanleg, raak - 15/03/2018

In 2012, aanslagjaar 2013, daverde het fiscale huis op haar grondvesten wanneer toenmalig staatssecretaris Crombez de vernieuwde algemene antirechtsmisbruikbepaling (art. 344, §1 WIB92) lanceerde. Constructies die een louter fiscale bestaansreden hebben, kunnen sindsdien doorprikt worden. Eenmaal doorprikt, kunnen  deze geherkwalificeerd worden in ‘logischere’ rechtshandelingen die genieten van fiscaal minder gunstige gevolgen.

De vernieuwde bepaling ging door het leven als een fiscale bazooka die heel wat courante optimalisaties in haar vizier nam. In bepaalde rechtsleer stond te lezen dat deze bepaling een ondermijning van de rechtszekerheid met zich mee bracht.

Zes jaar later noteren we één van de eerste toepassingen van deze vernieuwde bepaling en het is meteen een klepper van formaat…

Constructies waarbij aandelen van (familiale) exploitatievennootschappen aan werkelijke waarde in het kapitaal van de groepsholding werden ingebracht, waren lange tijd uiterst frequent. Na de inbreng van de aandelen liet het bestuur vanuit de exploitatievennootschappen periodiek dividenden opstromen die in de holding van het DBI-regime konden genieten (95% vrijgesteld, vanaf 01/01/2018 aan 100%).

Wanneer voldoende cash in de holding opgepot was, keerden de aandeelhouders van de holding zichzelf één of meerdere riante en onbelaste kapitaalvermindering(en) uit.*  De belastingbesparing op dergelijke constructies is duidelijk, nl. de roerende voorheffing op een dividenduitkering.

Naar aanleiding van Crombez’ bazooka werd reeds duidelijk dat holdingconstructies wel eens onder vuur konden worden genomen.

En zo geschiedde…

Een holdingconstructie werd in 1999 opgericht door middel van een inbreng in natura ten bedrage van 49.996.000 EUR en 4.000 EUR in geld.

Stelselmatig verlaagde de vennootschap haar kapitaal tot 629.690 EUR. De laatste kapitaalvermindering voor 5 miljoen EUR in 2013 werd bestreden door de Administratie. De BBI opperde dat de constructie fiscaal misbruik uitmaakte en belastte de constructie aan (toenmalig percentage RV) 25% roerende voorheffing (zijnde 1.250.000 EUR).

De rechtbank stelde de Administratie in haar gelijk en vermeldde dat gezien de holding voorafgaand aan de laatste kapitaalvermindering een gelijkaardig bedrag aan dividenden van haar exploitatiedochters had ontvangen er sprake was van fiscaal misbruik. De belastingplichtige hanteerde volgens de Administratie, die werd gevolgd door de rechtbank, een volledig kunstmatige constructie die een louter fiscale bestaansreden had, nl. het ‘belastingvrij’ maken van dividenduitkeringen aan de aandeelhouders.

(Rb. Brugge, 19.02.2018)

* vanaf 01/01/2018 worden kapitaalverminderingen pro rata tot de belaste reserves aan roerende voorheffing onderworpen.

Indien u begeleiding wenst in het kader van uw holdingconstructie, kunt u terecht bij uw HLB-contactpersoon.